Je zou de tijd aan de luiers kunnen meten. Eén zak per drie dagen. Per zak zo’n 25 luiers. Om de week fietst mijn man naar het kinderdagverblijf om de luiers in te leveren, vier á vijf zakken in de fietstassen. Hij zal inmiddels zo’n zes rondes gedaan hebben. 750 luiers. Drie maanden dus.
In elk boek over babyverzorging hebben we het eerste hoofdstuk uit. Doorgewerkt. We weten alles over regeldagen, hebben haar drie sprongetjes zien maken en haar met eerste verkoudheid zien worstelen, zijn weggesmolten bij haar eerste lachje, en haar tweede en derde en eigenlijk smelt ik elke keer weer als ze naar me lacht. We hebben haar getroost, en getroost en getroost als ze verdrietig was, of een schone luier moest, honger had, of een krampje, of gewoon ontroostbaar was. We hebben haar geluidjes nagedaan, gekke gezichten getrokken, hele gesprekken gevoerd in babytaal. We hebben haar haar handjes zien ontdekken, haar voetjes, haar vingertjes. We hebben haar haar badje uit zien groeien, haar eerste kleertjes, de kleinste luiers. En dat allemaal in een tijdsbestek van 750 luiers.
Tijdens de volgende 750 luiers zal ze haar wagen uitgroeien en haar babybedje. Ze zal naar haar eigen kamertje verhuizen en andere dingen gaan proeven dan melk. Ze zal gaan rollen, grijpen, steeds meer brabbelen, tandjes krijgen. Ze zal in een grotere luier groeien en haar slaapzakje uit. Ze zal urenlang huilen en urenlang lachen. Ze zal ons vertederen en tot wanhoop brengen. Ik sta te popelen om de volgende 750 luiers met haar te beleven. En tegelijkertijd wou ik dat ik de luiers terug kon draaien. Hoe bewust ik elk moment met haar ook ervaar, het gaat er niet minder snel door. 750 luiers zeg, waar blijft de tijd!