Plaagmeeuw

Aldus spreekt Wibo Kosters:

 

Kokmeeuw

Er zit een kokmeeuw boven op een relatief ongeschonden wit standbeeld van Jacob Jordaens. Mijn vrouw en ik zien hoe de meeuw geïnteresseerd het passerende verkeer gadeslaat. Het is een mooi gezicht; de kleine kokmeeuw staat als een zwierig hoedje op het krullenkapsel van de in steen gevangen kunstschilder. Ik pak mijn camera uit mijn tas om een foto van het tafereel te maken. De meeuw wacht tot ik heb aangelegd en vliegt dan weg naar een dakrand verderop. Van daar af bekijkt hij hoe ik mijn camera terug in de tas stop om vervolgens weer plaats te nemen op het hoofd.

Nu dichten wij mensen aan dieren (en dingen) vaak menselijke eigenschappen toe en menen we te weten dat honden trouw zijn en katten hooghartig. Vossen hebben streken, en ezels zijn koppig. Antropomorfisme heet deze manier van denken. Ik als eigenaar van Willy de wonderkat weet zeker dat hij een heleboel minder gunstige eigenschappen heeft als luiheid en gulzigheid, maar wetenschappers (mannen in witte jassen ergens) zeggen tegenwoordig dat ik dat fout heb. Het is een vorm van projectie. Toch geloof ik niet dat het zo simpel is; dat de eigenschappen die wij aan dieren toekennen alleen een vorm van wishful thinking zijn. Ik zou eerder zeggen dat het gedrag van dieren ons een spiegel voorhoudt, dat ze ons de kans bieden ons eigen gedrag te herkennen.

Zo zou ik kunnen volhouden dat als een kokmeeuw wegvliegt precies op het moment dat ik een foto wil maken dat louter toeval is. Maar als je zo’n schattig meeuwtje als een soort omgekeerde pierrot op een beeld ziet zitten, dan is het toch veel romantischer om te geloven dat het een vrolijke plaaggeest is die een spel met je speelt? Anders was dit toch een armzalig verhaal geweest? Ik weet zeker dat, als meeuwen zouden kunnen lachen, hij het gedaan had.

No more mister Yamaha

Hoofdrolspeler in dit verhaal: een oude Yamaha. Toeschouwers: mijn man en ik, verteller: ik uiteraard. Setting: een houten bankje voor Sussies Vintage en Koffie aan de Oude Koornmarkt in Antwerpen.
2014-07-06 22.04.16
Mijn man en ik drinken koffie, tegenover ons staat een gele Yamaha geparkeerd tegen de muur. Een man van middelbare leeftijd in overall blijft bewonderend naar de Yamaha staan kijken. In onvervalst –voor ons nauwelijks verstaanbaar- Vlaams begint hij ons te vertellen dat het een mooi exemplaar is, deze Yamaha, en dat hij er vroeger als jong jochie ook zo een wilde. Hij werkte er elke vakantie voor, amai. Maar toen hij genoeg geld bij elkaar had gespaard, mocht hij van zijn vader geen Yamaha kopen. Te gevaarlijk. Die dingen werden allemaal opgevoerd. Maar wat was hij mooi, die Yamaha, amai. Van zijn zuurverdiende centen heeft hij toen maar een stereo gekocht. Ook leuk, maar niet hetzelfde.
Hij had een goede kameraad, die had ook hard gewerkt in de vakanties en gespaard en die had stiekem wel een Yamaha gekocht. Precies zo’n zelfde gele. Zonder dat zijn vader het wist. Wat een mooi ding was dat, amai. Hij was er jaloers op. Hij had er zelf ook zo graag een gewild. Maar die vriend, die is er niet meer, amai. Hij zag de vader van zijn vriend –die niet wist dat zijn zoon op een opgevoerde Yamaha reed- nog op zijn pantoffels vanaf Linkeroever aan komen snellen, naar de plek waar diezelfde zoon met zijn gele Yamaha tegen een bus was gereden. Hij was op slag dood.

Er valt een pijnlijke stilte. Mister Yamaha no more. Met een zacht salut vervolgt de man zijn weg. Hij kijkt nog een paar keer achterom, naar de Yamaha. Zwijgend drinken wij onze cappuccino’s op. Amai, wat een verhaal.